Tuinmagazine 2016 - Ontdek het hier of vraag je exemplaar in je dichtstbijzijnde Brico-winkel!
Sluiten

Lassen

U hebt een talent om te creëren en u moet bij uw creaties metalen onderdelen assembleren? Voor de elke metaalsoort bestaat er een lastechniek, en voor elke lastechniek zijn er specifieke gereedschappen! Vergeet daarbij zeker niet de veiligheidsregels, want het metaal kan zeer hoge temperaturen bereiken. Uw laswerk zal van een leien dakje gaan als u onze instructies volgt.

  • Lasvormen

    Algemeen

    Lassen en solderen zijn twee technieken om metalen duurzaam met elkaar te verbinden. Beide technieken onderscheiden zich door :

    • de aard van de te verbinden metalen;
    • de aard van het bindmiddel of het toeslagmetaal waarmee de verbinding wordt gemaakt;
    • de temperatuur die nodig is om de verbinding te maken;
    • de mechanische weerstand van de verbinding.

    Tijdens het lassen kan men dus twee elementen van dezelfde metaalsoort met elkaar verbinden door ze plaatselijk te smelten, al dan niet met een toeslagmetaal. Wordt een toeslagmetaal gebruikt, dan is dit doorgaans van dezelfde metaalsoort als de te lassen werkstukken.

    Solderen

    Tijdens het solderen worden twee elementen van eenzelfde of verschillende metaalsoort met elkaar verbonden, met behulp van soldeersel (een toevoegstaaf). Het soldeersel heeft een lager smeltpunt dan de te verbinden stukken en dringt onder invloed van capillariteit in de naad. Zo'n verbinding is gemakkelijk te maken en het resultaat biedt een hoge mechanische weerstand en een perfecte lekdichtheid. Maar solderen vereist een zorgvuldige voorbereiding van de werkstukken. Bovendien hebt u altijd een hittescherm nodig : een vuurvaste plaat op uw werkbank of werkblad. Neem ook de nodige voorzorgen, met het oog op een optimale veiligheid: verlucht de ruimte, draag geen synthetische kleding en vergeet uw beschermbril niet.

    1. Om twee aluminium werkstukken te solderen, moet u eerst de verbindingsopper- vlakken zorgvuldig schoonmaken. Krab het metaal af met behulp van een mes.

    1. Bij het solderen van aluminium gebruikt u een staaf van dezelfde metaalsoort als toeslagmetaal. Krab de staaf af met behulp van een mes: zo komt het metaal bloot te liggen en verwijdert u de film op het oppervlak (het gevolg van langdurig contact met de lucht). Zet beide werkstukken in de soldeerpositie.

    1. Giet wat water in het deksel van de pot met vloeimiddel. Meng het water onder het vloeimiddel met behulp van een penseel. Door het vloeimiddel te verdunnen, zal het soldeersel straks gemakkelijker in de naad dringen.

    1. Smeer het verdunde vloeimiddel met behulp van een penseel uit over beide metaaloppervlakken. Een dun laagje, dat u in een of twee keer aanbrengt, volstaat. Dompel de toevoegstaaf in de pot met vloeimiddel.

    1. Warm beide oppervlakken (die u al in de soldeerpositie hebt gezet) op in de vlampluim. Opgelet: aluminium smelt snel, breng de vlamtong dus niet te dicht bij de werkstukken. Houd de vlam eerder ver van het metaal: afkoeling is gemakkelijk recht te zetten, terwijl gaten in het metaal onherstelbaar zijn. Zodra het vloeimiddel blazen vormt, opdroogt en smelt, brengt u de aluminium staaf dichterbij. Breng de staaf op de plaats van de naad in contact met de werkstukken.
      Als het metaal de juiste temperatuur heeft, smelt de staaf en dringt het soldeersel onder invloed van capillariteit in de naad. Blijf de soldeeroppervlakken voortdurend verwarmen in de vlampluim.
      Houd het geheel op de juiste temperatuur en breng rondom het toeslagmetaal aan, over de hele lengte van de naad, zodat een gelijkmatige soldeernaad ontstaat.

    1. U kunt ook een microlans op deze soldeerbrander zetten voor precisiewerk (microsolderen): het maken van maquettes, juwelen, kabels… De microlans blijft dan op de brander zitten met behulp van een adapter, waar normaal de afneembare soldeerlans zit. Met de blauwe knop regelt u de zuurstoftoevoer, met de rode knop de warm het geheel op. Gebruik voor fijn soldeerwerk een zilveren staaf als toeslagmetaal.

    Soldeerlassen

    Bij soldeerlassen worden twee aaneensluitende stukken (zij aan zij of in een hoek)van eenzelfde of verschillende metaalsoort met elkaar verbonden. Een staaf van gemanteld messing doet dienst als toeslagmetaal.
    Alleen een vlam van 3 000° (zuurstof-gas) maakt autogeen solderen mogelijk, waarbij de werkstukken met elkaar worden verbonden door het metaal plaatselijk te smelten en metaal toe te voegen, wat de soldeernaad versterkt.

    Soldeerbranders zijn eenvoudig ontworpen: ze hebben de vorm van een pistool, met een geïntegreerd reduceerventiel. De intensiteit van de vlam kan worden aangepast met een regelwiel. De fles butaangas is voorzien van een klemkraan met een antiterugslagklep. De gasflessen hebben een speciaal reduceerventiel en twee slangen in een verschillende kleur – doorgaans blauw voor zuurstof en oranje voor butaan – zodat u ze niet verkeerd kunt aansluiten. U kunt de vlam regelen met behulp van een regelwiel aan de uitgang van de butaanfles of via regelkranen op de brander zelf. Wanneer u de vlam rechtstreeks op het reduceerventiel met een aan/uit-kraan op de brander regelt, hebt u het voordeel dat u de vlam maar één keer hoeft in te stellen voor een bepaald soldeerwerk. Draai eerst de zuurstoffles open en daarna voorzichtig de butaantoevoer. Gebruik uitsluitend een gasaansteker (en geen wegwerpaansteker of lucifers) om de brander aan te steken. De intensiteit van de vlam kunt u regelen met behulp van het regelwiel aan de zuurstof- of butaantoevoer.

    Veiligheid

    • Vervang de flessen nooit in de buurt van een vlam.
    • Probeer bij een defect nooit om het toestel zelf te repareren (demonteer nooit de zuurstofkraan).
    • Voorkom ontbranding en smeer de onderdelen van de brander nooit in met olie of vet.
    • Werk buiten of in een verluchte ruimte.
    • Draag een beschermbril en beschermhandschoenen.

    1. Zet een vuurvaste plaat op het werkblad. Leg de werkstukken op twee U-ijzers: zo creëert u afstand tussen de werkstukken en de plaat en voorkomt u warmteverlies. Leg een van beide stukken plat en leg het andere op zijn kant. Op deze brander doet het handvat ook dienst als aan/uit-hendel voor het toestel.
      Duw het handvat omlaag, naar achteren: de gastoevoer start automatisch. Ontvet de metaaloppervlakken en schuur ze schoon. Soldeer de werkstukken puntsgewijs: soldeer eerst enkele punten (van 3 tot 6 mm lang) in het midden van de werkstukken, zodat ze niet meer kunnen verschuiven. Doe vervolgens hetzelfde aan de uiteinden, maar aan de andere kant van het verticale stuk, zodat het geheel niet vervormt.

    1. Verwarm het begin van de naad tot de soldeertemperatuur: houd op dat moment de staaf onder de vlam, in een hoek van 45°. Het toeslagmetaal loopt uit en dringt in de naad.
    2. Werk op dezelfde manier voort en houd de vlamtong op 2-3 mm van de naad.
    3. Het vergt wat oefening om de juiste smelttemperatuur van het metaal te vinden. Laat daarom een druppel toeslagmetaal op een koude plaat vallen.
    4. Warm de plaat langs onderen op tot de druppel uitloopt: het metaal kleurt oranjerood.
    5. Om twee vierkante ijzers probleemloos te solderen, zet u ze in hun soldeerpositie vast in een winkelhaak. Zet de klemmoer vast met behulp van een moersleutel.
    6. Warm het metaal op tot de smelttemperatuur en breng de toevoegstaaf dichterbij.
    7. De winkelhaak voorkomt dat het geheel vervormt.

    Autogeen lassen

    Bij autogeen lassen worden aaneensluitende stukken van dezelfde aard met elkaar verbonden, al dan niet met een toeslagmetaal. Deze methode is vooral geschikt voor staal. Autogeen lassen biedt een grote mechanische weerstand, even groot als die van de gelaste stukken.

    1. Leg al het benodigde materiaal op het werkblad. Zet eerst de zuurstofkraan open en daarna het reduceerventiel van de gasfles. Zet de kraan van de brander in de hoogste stand en steek de gasaansteker aan. Zet beide metalen stukken op de vuurvaste plaat, in hun laspositie (hier: plat in een buitenhoek). Zet de werkstukken vast met behulp van bijvoorbeeld een ander stuk metaal. Begin puntsgewijs te lassen in het midden, zodat de stukken niet meer kunnen verschuiven.

    1. Tijdens het puntsgewijs lassen maakt u telkens een laspunt van 2-3 mm lang. Zo maakt u verschillende punten, waarbij u begint in het midden en dan naar beide uiteinden toe werkt.
    2. Zodra u alle laspunten hebt gemaakt, maakt u een kleine lasnaad: een zogenaamde 'afknotting'. Begin te lassen op ongeveer 5 cm van een van beide uiteinden en werk naar dat uiteinde toe.
    3. Draai het werkstuk om en begin naar het andere uiteinde toe te lassen. Vertrek bij de afknotting, die u over een afstand van ongeveer 1 cm nogmaals bedekt. Om te lassen, warmt u het metaal eerst op tot de smelttemperatuur: houd het uiteinde van de toevoegstaaf (uit gestabiliseerd staal) onder de vlamtong. Laat een druppel op het smeltbad vallen en hef de staaf voorzichtig weer omhoog. Werk gelijkmatig voort.
    4. Ga op dezelfde manier te werk om twee aaneensluitende stukken te lassen zonder toeslagmetaal.
    5. Begin puntsgewijs te lassen in het midden en werk dan naar de uiteinden toe.
    6. Maak een afknotting op een van beide uiteinden en begin te lassen. Warm het metaal op door de vlam op 2-3 mm van het metaal te houden. Zodra de smelting plaatsvindt op één punt, gaat u langzaam verder om de lasnaad af te maken.

    Vlambooglassen

    Vlambooglassen is een vorm van autogeen lassen: aaneensluitende stukken van dezelfde aard worden met elkaar verbonden door smelting, met behulp van een toeslagmetaal (hier: een elektrode). De warmte die nodig is voor de smelting wordt geleverd door een elektrische boog, die wordt opgewekt tussen de werkstukken en de elektrode. De elektrische boog geeft een temperatuur van 4000-4500°. Dit proces vereist een hoge elektrische stroomsterkte, die wordt geleverd door een lastransformator. De lastransformator fungeert als stroomgenerator en zet de normale netstroom (spanning 220v en stroom- sterkte 15 A) om in stroom met een lage spanning (45v) en een hoge stroomsterkte (75 A).Controleer voor de aankoop van een lastransformator of uw installatie (meter en hoofdzekering) de stroomsterktevraag van het toestel aankan.

    1. De elektrische lastransformator, die wordt aangesloten op het lichtnet, heeft verschillende onmisbare 'accessoires': een massaklem, een elektrodehouder (beide zijn een vast onderdeel van de transformator), een hamer om de lasnaad af te bikken, een veiligheidsmasker (met speciaal getint glas om zonder gevaar naar de elektrische boog te kunnen kijken en wit glas om het getinte glas te beschermen – heel duur) en elektroden met een verschillende diameter.

    1. Breng het ontblote uiteinde van de elektrode (een metalen staaf bekleed met een smeltende film) in de kop van de elektrodehouder.

    1. Zet de selectieknop voor de spanning van het toestel op 220v (deze lastransformator wordt geleverd met twee spanningsniveaus: 220v en 380v). Selecteer de stroomsterkte op basis van het uit te voeren werk en de gebruikte elektrode. Stel het toestel zorgvuldig af!

    1. Zet beide werkstukken horizontaal en zij aan zij vast in een bankschroef. Pas de diameter van de elektrode aan volgens het te lassen materiaal. Zet uw elektrode (het ontblote deel) in de elektrodehouder. Wrijf de elektrode over een lengte van 1-2 cm over het te lassen stuk, op de gewenste plaats. Houd de elektrode vervolgens 4-5 mm van het werkstuk, zodat een elektrische boog wordt opgewekt. Er is sprake van een elektrische boog zodra u vonken ziet. Breng de elektrode ten slotte tot op 2-3 mm van het werkstuk om het eigenlijke lasproces te starten.

    Ga gelijkmatig te werk om de lasnaad aan te brengen. Houd de elektrode loodrecht ten opzichte van het metaal, lichtjes schuin in de lasrichting. Haal de elektrode telkens weer langzaam naar u toe, in een hoek van ongeveer 60° ten opzichte van het werkstuk. Werk altijd op dezelfde afstand. De elektrode zal verslijten: breng de elektrode dichter bij het werkstuk naarmate ze verslijt. Het resultaat moet een lasnaad zijn die overal even breed is, en die 1,5 tot 2 keer groter is dan de diameter van de elektrode.

    Een rechtshandige last van links naar rechts, een linkshandige van rechts naar links. Houd de elektrodehouder in een hoek van 15° ten opzichte van de loodlijn. De hoek tussen de aan te brengen naad en de elektrode moet dus 75° zijn. Las 'al trekkend' en niet 'al duwend'. Houd de elektrische boog en de lasnaad goed in het oog.

    Een goed aangebrachte lasnaad vertoont gelijkmatige groeven. Een naad met te veel groeven betekent dat er te weinig druk werd uitgeoefend tijdens het lassen. Als er daarentegen te veel druk werd uitgeoefend, is de naad plat, lelijk en slordig. De naad moet 3 tot 4 keer zo dik zijn als het metaal.

    1. Laat de lasnaad langzaam afkoelen en verwijder de lasresten die zich hebben afgezet op het oppervlak ('slakken') met een bikhamer.

    1. Als u de lasresten hebt weggehaald, maakt u de lasnaad schoon door hem op te wrijven met een staalborstel tot hij lichtjes glanst. Een correct aangebrachte lasnaad (d.w.z. tegen een normaal tempo en met een constante booglengte) heeft een regelmatig oppervlak: de groeven zijn uniform en de naad is overal even breed.

    Een bijzondere lastechniek: plat lassen

    1. Leg de te verbinden platen op 1-3 mm van elkaar. Opgelet: leg ze zij aan zij als ze minder dan 2 mm dik zijn. Als u te veel ruimte laat tussen de platen, loopt u het risico dat de naad hol wordt.

    1. Maak de massaklem vast op een van beide platen. Let erop dat het metaal proper is en geen roest- of verfsporen vertoont: vuil kan de stroompassage belemmeren.

    1. Breng eerst enkele laspunten aan (lasnaden van 6 tot 9 mm lang), om de platen aan elkaar vast te maken. U kunt een lasnaad maken met smalle of brede trekken. In het eerste geval verplaatst u de elektrode over de lengte van de naad en maakt u nooit een achterwaartse beweging met de elektrode. In het tweede geval beweegt u de elektrode voorwaarts en tast u tegelijkertijd de naad zigzag en achterwaarts af. De uitwijking tijdens het 'aftasten' is maximaal 3 keer zo groot als de diameter van de elektrode. Door te bepalen wanneer elke uitwijking moet stoppen, vermijdt u de vorming van geulen (groeven die ontstaan langs de gewone groeven van de lasnaad).

    1. Maak de lasnaad zo gelijkmatig mogelijk. Zorg voor een constante booglengte, door de elektrodehouder meer naar beneden te houden naarmate de elektrode smelt. Houd een constant tempo aan. Als u te traag werkt en te veel druk uitoefent, krijgt u een te bolle lasnaad, met het risico op breuken. Als u te traag werkt en de tussenruimte te groot is, krijgt u een verzakte lasnaad en worden de stukken niet correct aan elkaar gelast. De elektrische boog zorgt er op zijn beurt voor dat er heel wat warmte vrijkomt, waardoor de metalen werkstukken uitzetten. Tijdens het afkoelen krimpen ze weer en kan het metaal vervormen. Maak, voor u begint te lassen, de tussenruimte aan het ene uiteinde groter dan aan het andere: door de tussenruimte vooraf te corrigeren voorkomt u dat het metaal wordt samengeperst, de meest voorkomende vervorming.

    1. Laat de lasnaad langzaam afkoelen en verwijder zorgvuldig de slakken met behulp van een bikhamer.

    1. Wrijf de lasnaad op met een staalborstel, om de laatste restjes weg te halen. Een lasnaad zonder slakken moet lichtjes glanzen.

    Veiligheid

    • Begin nooit te vlambooglassen zonder beschermpak (katoenen werkkledij, handschoenen, masker).
    • Las nooit als u contactlenzen draagt.
    • Kijk nooit met het blote oog naar de elektrische boog.
    • Las nooit in de nabijheid van een vluchtig chemisch product of in de regen.
    • Zorg ervoor dat de te lassen stukken droog en proper zijn.
    • Maak indien nodig de werkstukken schoon met een staalborstel.
    • Aard uw lastransformator.

    MIG-vlambooglassen

    Een MIG-lastransformator bevat een transformator die een lage stroomsterkte geeft, met behulp van een massakabel (die met een klem wordt vastgemaakt aan het werkstuk) en een lasdraad. De lasdraad, die op een rol op de zijkant van het toestel zit, wordt automatisch afgerold. MIG is de afkorting voor 'Metal Inert Gas' en duidt op lassen in een inerte atmosfeer met edelgassen, zoals argon en helium. Doorgaans wordt een mengeling van argon en koolstofdioxide (CO2) gebruikt. Het proces wordt ook omschreven als 'semiautomatisch lassen onder gasbescherming'. Tijdens MIG-lassen wordt slechts een kleine zone rond de naad verwarmd. Terwijl de lasdraad wordt afgerold, wordt er gas aangevoerd: de oppervlakken koelen af en worden beschermd tegen inwerking van de atmosfeer. Op die manier voorkomt men oxidatie. In tegenstelling tot de elektrode, is de lasdraad niet omhuld. Een lasdraad heeft een zuiver metalen kern, wat een mooi gladde lasnaad oplevert en de vorming van slakken voorkomt (en dus oppoetswerk bespaart). Voor u het MIG-toestel aanzet, bevestigt u de slang die de lasdraad en het gas aanvoert. Aan het uiteinde van de slang zit een lans met een branderkop. De aandrijfrol voor de lasdraad is voorzien van twee groeven, voor een draad van 0,6 en 0,8 mm dik. Kies de gewenste groef door de aandrijfrol te draaien. De aandrijfrol is gekoppeld aan een tweede rol, wat een vlotte aanvoer van de draad garandeert. De afrolsnelheid wordt gelijkmatig geregeld via het bedieningspaneel. Via een regelwiel stelt u de druk in die wordt uitgeoefend op de draad. Zodra de aanvoer van de lasdraad naar de kop is gestart, draait u het reduceerventiel van de gasfles open. Het toestel is nu gebruiksklaar. Door de massaklem te bevestigen op het werkstuk sluit u het circuit : u kunt beginnen te lassen.