Tuinmagazine 2016 - Ontdek het hier of vraag je exemplaar in je dichtstbijzijnde Brico-winkel!
Sluiten

De moestuin

Uw eigen groenten en fruit kweken en daarna kunnen proeven is een werk van lange adem dat expertise vraagt. U houdt best rekening met een aantal parameters: niet al uw lievelingsfruit en -groenten groeien bijvoorbeeld op eender welke bodem. In deze Bricofiche zijn alle essentiële tips en informatie over de kenmerken van elke plant verzameld. Dat is het geheim van een goede gezonde maaltijd!

  • De moestuin

    Download de PDF
  • Praktische tips

    Tuinieren is ongetwijfeld een aangename, rustgevende bezigheid. Wie bovendien de regels van de natuur leert en respecteert, zal er heel veel plezier aan beleven.

    De juiste plaats

    Met een plaats gericht op het zuiden of het zuidwesten geniet u van de zon zonder onaangename noorden- of westenwind die het kiemen vertraagt. De moestuin kan met sierstruiken of een haag van bessenstruiken worden verfraaid en beschermd. Licht en warmte zijn levensnoodzakelijk voor alle planten.

    Kies voor een moestuin aangepast aan uw behoeften en aan uw vrije tijd. Een kleine goed onderhouden moestuin is beter dan een te grote tuin waarvan de oogst moet worden weggegooid. Een perceel van 100 m² volstaat voor een gezin van vier personen. Voor die oppervlakte zijn 300 werkuren per jaar nodig. Verlies deze praktische kant zeker niet uit het oog.

    Soort moestuin

    Maak altijd een teeltplan op papier waarop u de verschillende soorten groenten van verschillende afmetingen weergeeft volgens de plaats die de volgroeide planten zullen innemen.

    Soorten indeling:

    In rijen In vierkanten

    Bodemtypes

    Het succes van een moestuin hangt ook af van de grond. Voor elke teelt bestaat een geschikte bodem.

    Ga na welk bodemtype u hebt:

    BODEM-TYPE VOORDELEN NADELEN MAATREGELEN
    KLEI

    Natuurlijk rijk aan voedingselementen. Houdt het water en de meststoffen goed vast. De planten lijden er tijdens de zomer niet onder de warmte noch onder de droogte.

    Ondoorlaatbaar. Koud en moet in de lente lang opwarmen. Moeilijk te bewerken als de grond te vochtig (kleverig) of te droog (zeer hard) is. Veel te vochtig in de winter als hij slecht gedraineerd is.

    Spit de moestuin om vóór de winter. Verrijk de grond met veel organisch materiaal (mest, compost, turf). Kalk om de bodemstructuur te verbeteren. Draineer als dat mogelijk is.

    KIEZEL
    (zand)

    Goed doorlaatbaar en goed gedraineerd als de deeltjes waaruit de grond bestaat niet te fijn zijn. Snel opgewarmd in de lente (geschikt voor eerstelingen). Heel gemakkelijk te bewerken in alle seizoenen.

    Arm aan voedingselementen. Droogt snel uit en moet tijdens de zomer vaak worden besproeid. Houdt oplosbare voedingselementen (stikstof) moeilijk vast.

    Breng veel organisch materiaal aan zoals hiervoor. Bemest met stikstofhoudende meststof volgens de behoeften. Kalk als de zuurtegraad van de bodem te hoog is.

    KALK

    Doorlaatbaar als de deeltjes waaruit de grond bestaat niet te fijn zijn. Meestal goed gedraineerd. Warmt snel op in de lente. Gemakkelijk te bewerken als het op tijd gebeurt (eerder droog). Breekt snel organische mest af.

    Arm aan voedingselementen. Droog tijdens de zomer, modderig als het regent en kleeft aan het werkgereedschap. De kalk veroorzaakt bladverkleuring' van tal van variëteiten (rozen, peren, aardbeien enz.)

    Spit de moestuin om vóór de winter. Bemest elk jaar met organische mest (zoals hiervoor) en complete meststoffen. Teelt alleen planten die een kalkrijke gron verdragen. Zaai en plant eerd in de herfst dan in de lente.

    HUMUS

    Doorlaatbaar maar houdt veel water vast. Warmt snel op in de lente. Natuurlijk rijk aan voedingselementen. Gemakkelijk te bewerken. Geschikt voor planten die van een zure bodem houden (azalea, rododendron).

    Te zuur voor veel variëteiten. Veel te vochtig als hij slecht gedraineerd is. Tal van voedingselementen blijven onopneembaar door de zure reactie.

    Neutraliseer de zuurtegraad door te kalken. Draineer als dat mogelijk is. Bemest met chemische meststoffen die hoofdzakelijk fosforzuur en kalium bevatten maar beperk stikstofhoudende meststoffen, vooral na het kalken.

    GOEDE GROND

    Ideale grond waarin de voordelen van de vier hiervoor genoemde bodemtypes evenwichtig gecombineerd zijn.

    Geen nadelen als hij perfect in evenwicht is, gemakkelijk te verbeteren als dat niet zo is.

    Onderhoud de structuur en de vruchtbaarheid door regelmatig te bemesten met organische en chemische meststoffen. Kalk volgens de behoeften.

    Elk van deze bodemtypes kan worden gebruikt voor bijzondere en selectieve teelten. Ze kunnen ook worden verbeterd tot een ideale grond.

    Wijziging van de bodem: grondverbetering

    U kunt de grond verbeteren door een of meerdere bestanddelen toe te voegen:

    GROND-VERBETERAARS FUNCTIES OPMERKINGEN
    KALK

    Verhoogt de pH. Bevordert het leven van micro-organismen, (versnelt humusvorming). Maakt zware kleigrond losser (uitvlokking van de klei).

    Niet gebruiken voor planten die van zure grond houden. Niet tegelijk met mest aanbrengen.

    MEST,
    COMPOST

    Maakt zware grond beter doorlaatbaar en gemakkelijker om te bewerken. Verbetert de cohesie van de grond bij zandgrond. Houdt het water beter vast (minder gevoelig voor droogte). Bevordert humusvorming (bevordert het bacteriënleven). Bevat meststoffen (stikstof, fosfor, kalium).

    Geen verse mest aanbrengen.

    TEELAARDE

    Structuur waarin planten zich goed vastzetten. Houdt water vast. pH aangepast aan de planten.

    Vooral gebruikt voor aanplantingen.

    TURF

    Geeft structuur aan lichte aarde. Maakt zware grond losser. Houdt water vast. Goed herbevochtigbaar. Beperkt het verlies van voedingsstoffen door uitloging.

    Beperk het gebruik (turf is schaars).

    GROENE MESTSTOFFEN

    Beschermt de grond door het doorspoelen van stikstof te beperken. Brengt humus in de grond door opneming van planten. Geeft gemakkelijk opneembare stikstof af.

    Afsnijden vóór de zaadvorming

    De pH-test

    De pH-waarde geeft de zuurtegraad van de grond aan. U kunt de pH van uw grond testen om te weten wat de chemische kenmerken ervan zijn. De ideale, neutrale pH-waarde is 7.0. De zuurtegraad kan gecorrigeerd worden met additieven zoals kalk. In de tuinafdeling zijn gebruiksklare testers beschikbaar, gebruik ze zodra u een homogene grond hebt na omspitten en verbeteren.

    De moestuin aanleggen

    Benodigd gereedschap

    Spade of motorploeg:

    de spade moet een gewone tuinspade zijn. Gebruik geen graafspade, die smaller en hoger is.

    Spitvork of motorfrees:

    de spitvork moet 4 tanden hebben. Gebruik geen hooivork, die is te fijn en te lang.

    Hark:

    2 maten, een breed model om de grond te bewerken voor er wordt geplant en een smal model voor daarna.

    Schoffel:

    bestaat in verschillende vormen volgens de werkbreedte tussen de planten.

    Kruiwagen:

    Tuinslang met toebehoren voor beregening. Een gieter is nodig voor verspeende plantjes.

    De grond voorbereiden

    Tijdens de herfst moet het stuk grond worden omgespit. Graaf met behulp van een tuinkoord een rechte geul van 60 cm breed en 20 tot 30 cm diep.

    Leg de aarde uit de geul in de kruiwagen en breng ze naar de andere kant van de tuin. Die aarde zal dienen om de laatste geul aan de andere kant van het perceel te vullen.

    Schep mest en ander materiaal (grondverbeteraars) in de geul tot 3 à 8 cm dik.

    Vul deze geul met de aarde van het volgende deel dat u omspit en vergeet daarbij niet de aardkluit om te keren. Ga zo verder tot u aan het einde van het om te spitten stuk komt.

    Vul de laatste geul met de aarde van de eerste strook die u hebt omgespit (de aarde die zich in de kruiwagen bevindt).

    Omwerken van de grond kan ook met een motorploeg gebeuren. In dat geval worden de mest en de grondverbeteraars gewoon op de grond gelegd. De ploeg werkt ze in de grond bij het omkeren van de aarde.

    De voedingsstoffen

    Naast warmte, water en licht zijn nog drie belangrijke voedingsstoffen noodzakelijk voor de groei van uw planten: stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K).

    ELEMENTE BEVORDERLIJK BIJZONDERE TEKENEN VAN GESCHIKTE
    Stikstof
    Symbool N

    BLADEREN

    Bevordert de ontwikkeling van de bladeren en van de bovengrondse delen van de plant. Doet de afmetingen van de plant en het rendement toenemen. Versnelt en stimuleert de vegetatieve groei.

    Arme groei, lichtgroen of geelachtig blad (chlorose). Plantontwikkeling onder normaal peil.

    Alle jonge planten. Bladgroenten (kolen, prei, sla enz.). Gazons en weiden.

    Fosforzuur
    Symbool P

    BLOEMEN, FRUIT

    Regelende factor bij de voortplanting: vruchtzetting, bloei- en vruchtvorming. Verstevigt de weefsels (verhouting). Stimuleert de ontwikkeling van het wortelgestel.

    Zeer donkergroen, bronskleurig of roodgevlekt blad. Dunne of misvormde twijgen. Weinig bloei. Bloesemsterfte. Vertraagde vruchtrijping.

    Fruit- en sierbomen en -struiken tijdens de groeifase. Rozen,'vruchtgewassen' (aubergines, tomaten enz.), alle bloeiende gewassen, planten van de familie van de peulvruchten.

    Kalium
    Symbool K

    WORTELS RESERVES

    Regelende factor voor de sapstroom en de opnamefuncties. Bevordert de aanmaak en de opstapeling van reservestoffen (suikers, zetmeel enz.).Verbetert de weerstand tegen ziekten. Geeft een diepere kleur aan bloemen en fruit en verbetert de smaak van fruit.

    Bruine vlekken aan de punt, de randen en tussen de nerven van de bladeren. Planten gevoelig voor ziekten. Weinig zoet fruit, gebrek aan smaak. Slechte bewaring van 'wortelgewassen'.

    Vult fosforzuur aan bij fruit- en sierbomen en -struiken. Alle bol- en knolgewassen (look, ui, sjalot, aardappelen). 'Wortelgewassen' (radijzen, wortelen enz.).

    De verrijking van uw grond zal afhankelijk zijn van de bemestingsmethode:
    met organische meststoffen (mest, beendermeel, algen) of anorganische meststoffen (mineraal, chemisch).
    Sommige meststoffen zijn specifiek voor biologische teelt.

    PROEFNEMING RESULTAAT CONCLUSION
    Nadat u met een spade een monster hebt genomen van de verschillende 'aardlagen' die door het graven van de testput zichtbaar zijn geworden, kunt u via een heel eenvoudige test onmiddellijk een goed idee krijgen over de soort grond. 1) Bekijk het opgegraven stukje aarde … De kleur is bruin of zwartachtig (donkerder dan de omringende grond) met een kruimelige en sponsachtige structuur, rijk aan min of meer verteerd plantenafval. Humusrijke grond (20% en meer humus).
    De kleur is witachtig en wordt steeds lichter naarmate men dieper gaat. Als er zuur aan de aarde wordt toegevoegd, heeft dat een borrelend effect. Kalkrijke grond (15% en meer kalk).
    2) Kneed een handvol nogal vochtige aarde in uw hand en laat ze dan vallen op harde grond. De aardkluit vormt een compacte mastiek en is intact na de val. Kleirijke grond (30% en meer klei).
    De aardkluit plakt niet samen en verkruimelt tussen uw vingers. Zandrijke grond (70% en meer zand).
    De aardkluit plakt samen maar valt in stukken op de grond. Grond min of meer in de buurt van goede grond met de ideale samenstelling.

    Voedingsstoffen

    Anorganische meststoffen: ook minerale of chemische meststoffen genoemd.
    Ze bestaan uit een mengsel van N/P/K (stikstof, fosfor, kalium) dat de algemene en specifieke behoeften van de moestuin aanvult, afhankelijk van het gewas. Ze zijn gebruiksklaar en moeten gelijkmatig over de grond worden verspreid. Tijdens het omwerken van de grond in de lente worden deze meststoffen verspreid en in de grond opgenomen. Ze vormen de eerste voedselbasis voor uw beplantingen.

    Afhankelijk van het geval, kunt u het rendement nog verbeteren door een specifieke aanvulling voor elk gewas tijdens de groei. In een andere Bricofiche vindt u daar meer over.

    Organische meststoffen: (mest, beendermeel, algen)
    Er bestaat rundermest, paardenmest, kippenmest. Elke soort heeft een specifieke dosering. Rundermest 500 g per m², kippenmest slechts 100 g per m² . De mest moet gelijkmatig worden verspreid.

    Les plantations

    Compost:
    Compost recycleert uw groenafval en verbetert en verlicht uw grond door het toevoegen van verteerd organisch materiaal.
    Compost is gemakkelijk te maken, maar het duurt 6 maanden voor een kwaliteitsvolle compost.

    Zet in een hoek van de tuin een compostbak en leg er in opeenvolgende gemengde lagen het volgende materiaal in:

    • Grasmaaisel
    • Houtas
    • Resten van bedorven groenten en fruit (etensresten zonder vlees), verwelkte boeketten.
    • Versnipperd krantenpapier, kartonnen eierdoosjes.
    • Stro
    • Aarde uit potten en bloembakken (potgrond)
    • Koffie, theezakjes.

    Het verteerproces kan worden versneld door het toevoegen van een compostversneller die in de tuinafdeling te koop is. Zeef decompost voor u hem uitstrooit.

    Plaats van de gewassen

    Maak een teeltplan op voor u met zaaien en planten begint. Alle planten beslaan immers een bepaalde oppervlakte en het zou jammer zijn dat sommige gewassen door andere worden overwoekerd. Op een blad papier met ruitjes van 0,5 cm kunt u een tekening op schaal maken.

    De grond voorbereiden

    Omwerken:

    De grond moet worden bewerkt zodat de wortels zich snel kunnen vastzetten. Na het omploegen of omspitten moet de grond nog worden verbeterd door de bovenlaag om te werken. Daarbij worden de kluiten gebroken en de in de winter verteerde grondverbeteraars over een gelijkmatige laag verdeeld.

    Gebruik een spitvork om de aarde tot ongeveer 20 cm diep om te keren, te mengen en te verluchten.

    Harken:

    De hark verwijdert de kluiten en stenen die overblijven na het werk met de spitvork. Houd de hark parallel met het oppervlak zodat u geen putten maakt. Om het u gemakkelijk te maken kunt u ook een tuinkoord spannen op harkhoogte. Rol daarna de grond om de kluiten te breken.

    Een motorfrees combineert het omwerken en een groot deel van het harken.Vergeet tijdens het frezen niet om meststoffen en compost toe te voegen.

    De gewassen

    Soorten groenten:

    • Bolgewassen: look, prei, ui.
    • Bloemgewassen: artisjok, kolen.
    • Wortelgewassen: bieten, wortelen, radijzen.
    • Knolgewassen: aardappelen.
    • Stengelgroenten: asperges, rabarber, selder.
    • Peulvruchten: bonen, erwten, maïs.
    • Bladgroenten: spinazie, sla.
    • Vruchtgewassen: aubergines, komkommers, augurken, tomaten, paprika.
    • Kruiden: basilicum, bieslook, dragon, peterselie, munt …

    De gewassen die voor uw grond geschikt zijn:

    Kalkgrond: wortelen, spruiten, sluitkool, peterselie, rozemarijn, tijm.
    Kleigrond: witlof, bloemkool, spinazie, bonen, erwten, tomaten.
    Humusgrond: aubergines, kervel, komkommer, sla, prei, radijzen.
    Zandgrond: aardappelen, selder, bieslook, aardbeien, look, ui en sjalot.

    Vruchtwisseling

    Plant niet twee jaar na elkaar hetzelfde gewas op dezelfde plaats.
    Wissel de zaaiplaatsen af en laat een jaar op vier een deel van uw stuk grond braak liggen.
    Het onbebouwde deel kunt u verbeteren door specifieke gewassen te planten die als natuurlijke bemesting kunnen dienen.

    Zaaien

    Zaaien in potjes, kistjes of in plantpotjes.

    Dat kan gebeuren vroeg in het voorjaar in kas of op een plaats met voldoende licht en warmte.

    Vul met teelaarde, druk goed aan. Voeg voor heel fijn zaad nog een gezeefde laag teelaarde toe en druk lichtjes aan.

    Verdeel de zaden gelijkmatig en op voldoende afstand. Zeef een laag teelaarde boven de zaden en geef water.

    De zaailingen moeten tijdens de groei worden uitgedund zodat zich stevige plantjes ontwikkelen om in de volle grond uit te planten.

    Zaaien in volle grond:breedwerpig of in rijen zaaien.
    Zaaien in volle grond gebeurt in de lente zodra het mooi weer wordt, de zaaiperiode staat op de verpakking van de zaden vermeld.

    Hark tot de bovenlaag fijn is.

    Span het tuinkoord.

    Maak een geultje.

    Zaai met de hand, met een zaaizak of meng wat droog fijn zand onder het zaad om mooi gelijkmatig te kunnen zaaien.

    Hark de zaaigeul dicht met aarde van beide kanten en begiet.
    Merk elke geul met de verpakking van de zaden of met een speciaal plantlabel in meestal geel pvc (schrijf er met een alcoholstift op).

    Uitplanten:
    De uit te planten plantjes komen voort uit wat u onder kas of onder beschutting of in de volle grond hebt gezaaid en nadat u ze hebt uitgedund zodat sterke plantjes overblijven om apart uit te planten.

    Hark de aarde effen tot een fijne laag.

    Span de tuinkoord.

    Maak een kuiltje met het pootijzer.

    Zet het plantje in het kuiltje en vul rondom met wat aarde aan, druk de aarde lichtjes aan. Geef onmiddellijk veel water.

    De planten verzorgen

    Een goed onderhouden tuin zal veel en mooie groenten voortbrengen. Waar u op moet letten:

    • Verwijder regelmatig onkruid. Onkruid is een rivaal voor uw planten en zal altijd de bovenhand halen.
    • Wees opmerkzaam voor ziekten of schadelijke dieren (zie bricofiche 'Verzorgen van planten')
    • Oogst geregeld de rijpe groenten en vruchten.
    • Verwijder rotte of aangetaste groenten om te vermijden dat ze de andere planten aantasten.

    De biomoestuin

    De voornaamste basisregels:

    • De biotuin moet een zonrijke ligging hebben en goed beschermd zijn tegen de overheersende winden zodat de planten het beste van zichzelf kunnen geven.
    • De biotuin is opgedeeld in door paden gescheiden vierkanten.
    • Er worden geen chemische meststoffen of pesticiden gebruikt. De voorkeur gaat naar verzorging door middel van andere planten of met behulp van natuurlijke producten.

    Plantensoorten worden gegroepeerd om hun ontwikkeling wederzijds te bevorderen.

    Plant geen look, uien en sjalotten naast erwten en bonen. Plant geen kolen naast wortelen.
    Zet wortelen, prei en uien bij elkaar en ook bonen en radijzen.
    Plant goudsbloemen naast wortelen, kolen en sla of anjers bij tomaten.
    De bloemen stoten insecten af en beschermen uw planten.

    Tal van dieren zijn nuttig voor de moestuin (regenwormen, lieveheersbeestjes, bijen ...).
    De biotuin moet dit rijke leefklimaat respecteren.

    Besproeien

    Er bestaan verschillende sproeisystemen. Kies voor de moestuin voor een nevel- of druppelsproeisysteem dat de zaailingen en de planten niet beschadigt.

    Denk eventueel aan een ondergronds sproeisysteem. Dat zorgt ervoor dat uw planten de juiste hoeveelheid water krijgen die nodig is voor een goede groei.

    Probeer zorgzaam met water om te springen en draag uw steentje bij door regenwater op te vangen in een regenput of in een regenton die u onder een goot plaatst. Uw planten zullen u dankbaar zijn voor het onbehandelde, 'natuurlijke' water.

    Sproei bij voorkeur 's avonds om te vermijden dat de zon de bladeren verbrandt door de waterdruppels. De planten hebben dan ook tijd om het sproeiwater op te nemen voor het verdampt. Het is een must uw regenput op een pomp aan te sluiten voor de werking van uw sproeisysteem.

    Oogsten

    Bewaren

    Om groenten in de koelkast of in de diepvriezer te bewaren, is het belangrijk enkele regels in acht te nemen:

    • Controleer regelmatig de temperatuur: voor de koelkast max. 4 °C en voor de diepvriezer -18 °C.
    • Gebruik speciale diepvrieszakjes. Kleef een etiket op het zakje met de datum en de naam van het product.
    • De meeste voedingmiddelen kunnen nog zonder gevaar na de aanbevolen bewaardatum worden verbruikt. Wel zullen de smaak en de voedingwaarde beginnen af te nemen.
    • Vries nooit ontdooide voedingsmiddelen opnieuw in.
    • Verbruik ontdooide voedingsmiddelen binnen de 24 u.
    Groenten Koelkast 4°C Diepvriezer -18°C
    Asperges 4 dagen 1 jaar
    Wortels 3 maanden 1 jaar
    Selderij 2 weken -
    Spruitjes 6 dagen 1 jaar
    Bloemkool 6 dagen 1 jaar
    Komkommer 1 week 1 jaar
    Courgettes 1 week 1 jaar
    Spinazie 4 dagen 1 jaar
    Bonen 5 dagen 1 jaar
    Sla 1 week -
    Uien 1 week 1 jaar
    Preien 1 week 1 jaar
    Erwt 2 dagen 1 jaar
    Radijs1 week -
    Rabarber 4 dagen 1 jaar
    Witloof 4 dagen 1 jaar