Tuinmagazine 2016 - Ontdek het hier of vraag je exemplaar in je dichtstbijzijnde Brico-winkel!
Sluiten

Meststoffen en onkruidverdelgers

Brico heeft een groot aantal meststoffen en onkruidbestrijdingsmiddelen in de aanbieding. Kiezen uit dit enorme assortiment is niet altijd eenvoudig. Ontdek hier alle soorten meststoffen, bepaal welke het beste voldoen aan de noden van uw planten en bepaal eveneens wanneer u ze moet inzaaien. Wil u vooral komaf maken met ongewenste planten? Deze fiche informeert u over alle hulpmiddeltjes om het beoogde resultaat te verkrijgen.

  • Meststoffen en onkruidverdelgers

    PDF-formaat downloaden
  • Meststoffen

    Inleiding

    Meststoffen zijn stoffen die de planten voedingssupplementen geven om hun groei, rendement en kwaliteit te verbeteren. Het aanvoeren van meststoffen noemen we fertilisatie. Ze worden aan de grond toegevoegd tijdens het tuinieren. Er bestaan drie soorten meststoffen: organische meststoffen, minerale meststoffen en organisch-minerale meststoffen. De meststoffen geven de planten voedingsstoffen. Bodemverbeteraars wijzigen de structuur en de zuurheidsgraad van de grond zodat de planten het maximum kunnen halen uit de meststoffen. Er zijn dus bodemverbeteraars voor de kwaliteit van de grond en meststoffen voor de planten.

    Rol van meststoffen

    Om te kunnen groeien en rijpen hebben de planten behoefte aan water, zonlicht en voedingsstoffen die ze in minerale vorm aantreffen in de bodem, en aan CO2 die wordt aangevoerd door de lucht. De plant bestaat voor 25 % uit materie (stengel en bladeren) en voor 75 % uit water. De kennis en naleving van enkele regels is noodzakelijk voor een goede groei en een optimaal rendement van de planten.

    Een eerste regel: respecteer de pH van de bodem.

    Een te zure bodem wordt slecht verdragen door de planten en kan zelfs de toegevoegde meststoffen opslorpen. Ideaal is de pH neutraal en bedraagt hij rond de 6,5 à 7.

    De 2de regel: laat de pH van de bodem om de 3-4 jaar analyseren.

    Een zure bodem herkent men aan enkele tekenen: de bodem wordt enkele dagen na het omspitten groen en er verschijnen boterbloemen. Geef een zure bodem nooit sulfaat want dat verhoogt nog de zuurheidsgraad. In een tuincentrum zijn standaardtests verkrijgbaar.

    Doe een beetje aarde uit de tuin in een proefbuisje en voeg het meegeleverde poeder toe.

    Voeg gedistilleerd water toe tot aan het niveau dat is aangeduid op het proefbuisje.

    Doe het deksel op het proefbuisje en schud. Na enkele seconden verandert de vloeistof van kleur zodat u ze kunt vergelijken met de meegeleverde tabel.

    De derde regel:

    corrigeer de pH van de bodem.
    Voeg aan een te zure bodem gedurende 2 jaar kalk toe (10 kg/are). Doe dit in november zodat u de gewassen niet beschadigt. Moet u dit werk toch in het voorjaar of de zomer opknappen, gebruik dan kalkmergel. Kijk uit voor overdosering. Kalk slorpt immers de humus op waardoor de bodem verarmt.
    Voeg aan een bodem die te veel kalk bevat zwavel toe naar rato van 2,5 kg/are. Voeg om het volume te verhogen ook droog rijnzand toe. Het resultaat is zichtbaar na twee of drie jaar.

    pH-waarden van de bodem voor een goede groei

    PH Zuurheidsgraad Planten
    3,5/4 Uiterst zuur Er groeit niets
    4/4,5 Zeer zuur, turfbodem Coniferen
    4,5/5 Zeer zuur Blauwe en rode bosbessen, rododendrons
    5/5,5 Matig zuur Aardappelen, tomaten, frambozen
    5,5/6 Matig zuur Grassen
    6/6,5 Lichtjes zuur De meeste moestuin- en sierplanten
    7/4,5 Neutraal tot licht alkalihoudend De meeste moestuin- en sierplanten

     

    De vierde regel is behoeften van de planten kennen

    Voedingsbehoeften van de planten
    De basiselementen zijn: stikstof (N), fosfor (P), kalium (K).
    De secundaire elementen: calcium(Ca), zwavel (S), magnesium (Mg).
    De oligo-elementen: ijzer (Fe), mangaan (Mn), molybdeen (Mo), koper (Cu), boor (B), zink (Zn), chloor (Cl), natrium (Na), kobalt (Co), vanadium (V) en silicium (Si).
    Men vindt deze elementen terug in samengestelde meststoffen: meststoffen N, NP, NK, PK, NPK.

    De secundaire elementen zijn normaal gezien in voldoende mate aanwezig in de bodem en worden enkel toegevoegd bij een tekort. De planten hebben veel meer de basiselementen nodig. Meestal moet u dus stikstof, fosfor en kalium toevoegen.

    Stikstof bevordert de ontwikkeling van alle bovengrondse delen van de plant. In het voorjaar, als de planten en bladgroenten beginnen te groeien of als u plant, doet stikstof veel goeds. Gebruik wel niet te veel stikstof, anders schaadt u de ontwikkeling van de bloemen, vruchten of knollen. Stikstof vindt men in gedroogd bloed, gemaaid gras of in mestgier.

    Fosfor bevordert de weerstand van de planten en de ontwikkeling van de wortels. U vindt het in beendermeel of uitwerpselen. Het beïnvloedt de rijpheid, de kwaliteit en de kleur van de vruchten.

    Kalium bevordert de bloei en de ontwikkeling van de vruchten. Het is noodzakelijk voor alle bol- en peulgewassen en vormt de zaden. Men vindt het in houtas. Kalk is heilzaam voor het skelet, de kwaliteit van de weefsels. Het is goed voor de pitvruchten.

    Magnesium (Mg) is een element van het bladgroen. Vlekken op de bladeren wijzen op een tekort aan Mg.

    Ijzer (Fe) draagt bij tot de constructie van de delen van de plant. Gele bladeren wijzen op een tekort.

    Behalve deze basiselementen hebben de planten nog andere elementen nodig, in kleinere hoeveelheden. Bijvoorbeeld: chloor, boor … U vindt ze in sommige speciale meststoffen.

    Rol van de belangrijkste chemische elementen voor de bodems (N, P, K)

    Elementen Goed voor Functies Tekenen van een tekort Goed voor
    Stikstof (N) Bladeren Bevordert de ontwikkeling van de bladeren en van hetbovengrondse deel. Betere snoei en rendement, snellere vegetatie, gestimuleerde groei. Lichtgroene of geelach-tige bladeren. Vertraagde ontwikkeling. Jonge planten ladgroenten (kool, sla...), gazons, weides.
    Fosforzuur (P) Bloemen, vruchten Regelt de groei van de vruchten, de bloei, de vruchtvorming. Consolideert de weefsels, stimuleert de ontwikkeling van de wortels. Zeer donkergroene of bruinachtige bladeren of met rode vlekken. Schrale takken, verminderde bloei, vertraagde rijpheid van de vruchten. Struiken en fruit en sierstruiken tijdens hun groei, rozenstruik, vruchtgroenten (tomaten, aubergines...), alle bloemen, peulgewassen.
    Kalium (K) Wortels, reserve Regelt de sapcirculatie en de opname van de stoffen. Verbetert de opstapeling van de reservestoffen zoals suikers, zetmeel. Verhoogt de weerstand tegen ziekten. Verbetert de smaak en de kleur van de vruchten en de bloemen. Bruine vlekken aan de punt van de bladeren en tussen de nerven. Grotere gevoeligheid voor ziekten. De vruchten zijn minder zoet en de wortelgroenten kunnen minder goed worden bewaard. Vult fosforzuur aan voor de bomen en de fruit en sierstruiken. Alle bol of knolgewassen (knoflook, uien, aardappelen). Wortelgroenten (radijs, wortelen...)

     

    Rol van bodenverbeteraars

    Bodemverbeteraar Functie Opmerking
    Kalk

    Verhoogt de pH. Bevordert het micro-organische leven. Maakt zware kleiachtige aarde minder compact.

    Niet geschikt voor zuurminnende planten. Niet samen met de mest aanvoeren.
    Mest, compost Maakt zware aarde meer doordringbaar en makkelijker te bewerken. Houdt het water vast. Bevordert de vorming van humus (het microbiele leven). Voert stikstof, fosfor en kalium aan. De mest mag nooit vers zijn.
    Teelaarde Zorgt voor een goede verankering van de planten. Houdt het water vast. De pH is aangepast aan de planten. Zorgt voor een goede verankering van de planten. Houdt het water vast. De pH is aangepast aan de planten.
    Turf Maakt te lichte aarde vaster en zware aarde losser. Houdt het water vast, vermindert het verlies van voedingsstoffen bij hevige regen of besproeiing. Beperkte bron.
    Groene meststoffen Beschermt de bodem en beperkt het verlies van stikstof bij regen of besproeiing. Voert humus aan met de inwerking van planten. Geeft de stikstof vrij de makkelijk kan worden opgenomen. Breken voordat de zaden zich vormen.

     

    Soorten meststoffen

    Organische meststoffen

    Organische meststoffen moeten 3 weken voor het zaaien of aanplanten worden gebruikt. De standaarddosering is N6, P7, K8.

    De organische meststoffen van dierlijke origine: dit zijn industriële afvalstoffen zoals slachtafval (gedroogd bloed, gebrande hoorn, visafval, waterzuiveringsslib). Ze voeren traag ontbindende stikstof aan om de snelle vermenigvuldiging van de microflora in de bodem te bevorderen.

    De organische meststoffen van plantaardige origine: groene resten al dan niet gecomposteerd, maar ook planten die worden geteeld als groene meststoffen of bereid als netelgier, algen.

    Er zijn ook de subproducten van de veeteelt: mest zoals plantaardige kattenbakvulling, stro en compost.

    Minerale of chemische meststoffen

    Minerale meststoffen zijn stoffen van minerale origine. Ze worden geproduceerd door de chemische industrie of door de ontginning van natuurlijke afzettingen (fosfaat, kalium).

    De organisch-minerale meststoffen

    Zij zijn het resultaat van de vermenging van minerale en organische meststoffen.

    Voor- en nadelen

    Organische meststoffen zijn samengesteld uit tal van noodzakelijke elementen. Ze blijven in de aarde zitten en voeren in de loop der jaren humus aan. Let er echter op dat u deze meststoffen op het juiste moment gebruikt. Het duurt even voordat ze actief zijn aangezien ze zich in de grond moeten omzetten voordat de planten ze kunnen gebruiken. Het gebruik van organische meststoffen is bovendien vrij complex.

    In water oplosbare meststoffen zijn het makkelijkst te gebruiken. Bij regen echter bieden ze het nadeel dat de planten niet de tijd hebben om ervan doordrenkt te geraken. Deze meststoffen dringen snel in de bodem en de ondergrond om zich te verspreiden in de grondwaterlaag. Om de meststoffen tegen te houden kunt u ervoor zorgen dat uw bodem een goede humus bevat (bijvoorbeeld: humus afkomstig van de ontbinding van een mesthoop).

    Toepassing van meststoffen

    Bodemverrijkende organische meststoffen

    Deze meststoffen zoals mest, compost of stro worden diep in de grond ingewerkt.

    Spit de aarde om in het najaar, span een koord en spit over de hele breedte (breedte van het blad van de spade) tot +/- 30 cm diepte.

    Verbreed de sleuf door parallel +/- 60 cm of 2 spadebladen te graven. Leg de aarde opzij, ze dient achteraf om de sleuf op te vullen.

    Strooi de organische meststoffen in de sleuf, in een laag van 3 tot 8 cm dikte.

    Graaf een tweede sleuf van 60 cm achter de eerste en gooi de verwijderde aarde op de organische stoffen. Gooi de organische meststoffen in de 2de sleuf en werk zo verder.

    Bladmest

    Bladmest wordt rechtstreeks op de bladeren verstoven als het bladoppervlak lang genoeg voldoende vochtig blijft. De absorptie is beperkt. Deze mest voert de oligo-elementen aan die in kleine hoeveelheden nodig zijn.

    Vloeibare meststoffen

    Doe een dosis (dop) geconcentreerde vloeistof in een sproeier en voeg de aanbevolen hoeveelheid water toe (zie gebruiksaanwijzing). Schud alles door elkaar.

    Om rechtstreeks de wortel van de plant te voeden stopt u een pot met gaten in de grond. Vul deze met de vloeibare meststof. Deze zal rechtstreeks tot in de wortels dringen.

    Oppervlaktemeststof (korrels)
    1) Beginmest:

    Gebruikt vóór het planten of zaaien biedt hij de jonge planten de nodige voedingsstoffen.

    Als de grond klaar is strooit u een dosis meststoffen op de plaats waar u wilt zaaien of planten.

    Bedek de meststoffen met een hark met een dunne laag aarde.

    2) Meststoffen voor alle gebruik:

    De meeste groenten groeien snel. Tijdens de groei hebben ze extra meststoffen nodig.

    Strooi de meststoffen op de grond rond de plant. Strooi ze niet op de bladeren, anders kunnen die verbranden.

    Laat de meststoffen met behulp van een klauw in de grond dringen. Strooi ze niet te diep om de wortels niet te beschadigen. Besproei de grond.

    Meststoffen voor huisplanten

    Deze meststoffen worden geconcentreerd verkocht en moeten vóór gebruik worden verdund in water. Sommige hebben de vorm van korrels die moeten worden vermengd met teelaarde of van stokjes. Ze bevatten een mengeling van stikstof, fosfaat en kalium. Op de verpakking staat de vermelding 'NPK'. Ze bevatten oligo-elementen zoals koper, cadmium, magnesium, mangaan en tin.

    Speciale meststoffen

    Sommige planten hebben specifieke supplementen nodig (buxus, haag en coniferen, geraniums, rozenstruiken, klimplanten...). In uw Brico zijn daarvoor specifieke meststoffen te koop.

    Met uitzondering van de bemesting bestaan deze meststoffen in verschillende vormen: korrels, vloeistoffen, in stokjes of oplosbaar.

    Dosering en kalender

    De mesthoop

    In het najaar wordt hij uitgestrooid om hem de tijd te geven te ontbinden tijdens de winter.

    De groeimest

    Zijn gebruik begint in de eerste dagen van het voorjaar, als de planten uit hun winterslaap ontwaken, en tijdens de hele vegetatieperiode. Sproeien is van essentieel belang. Het water dat de plant verbruikt moet de meststoffen immers absorberen. Groeimest wordt iedere maand toegepast.

    Meststoffen met zweepslageffect

    Als aanvulling op en naast de regelmatige bemesting kunt u af en toe meststoffen gebruiken met een zweepslageffect. Zij maken de planten weer sterk in bepaalde periodes zoals de bloei of de vruchtvorming. Deze meststoffen worden in vloeibare vorm het best geabsorbeerd. Het bekendst is mestgier (op basis van ontbonden mest).

    Meststoffen voor eetbare planten

    Geef moestuin- en aromatische planten in het voorjaar een basismest die veel stikstof en fosfor bevat. Geef ze in het tweede stadium van hun groei mestgier om ze te onderhouden (zelfde voedingsstoffen als bij de eerste toepassingen). Bij de vruchtvorming kunt u ze een 'zweepslag' geven in de vorm van vloeibare meststoffen met een hoog kaliumgehalte.

    Behalve bladmest kunnen deze meststoffen het best worden gestrooid op regenachtige dagen of dagen dat de bodem al heel vochtig is. Zo zullen de wortels niet verbranden. Strooi liever geen meststoffen op zeer jonge planten. De dosis die u moet toepassen staat vermeld op de verpakking. Ze varieert naargelang het soort bodem, het klimaat. Respecteer deze hoeveelheden goed want boven een bepaalde drempel kunnen ze giftig zijn voor de plant en voor het milieu. Een te sterk gestimuleerde plant kan gevoeliger worden voor ziekten. Te veel meststoffen kunnen het evenwicht van de voedingsstoffen in de bodem veroorzaken. Ze bevorderen ook de ontwikkeling van bladluis en andere kleine insecten die zich vasthechten op de planten.

    Compost maken

    De voedingsstoffen van organisch afval zijn goed voor de planten maar ook voor de kwaliteit van de bodem. Ze maken de grond immers vruchtbaarder. Compost laat zich bovendien makkelijk verwerken en is niet duur.

    Leg de eerste laag materiaal op de bodem. Spreid het uit.

    Voeg een tweede laag toe, deze moet verschillend zijn van de eerste.

    Voeg om de 25 cm een activerende stof toe, een laag dierlijke mest of stikstofmest.

    Dek de verschillende lagen boven elkaar af met een zeil en laat het materiaal zich ontbinden.

    Strocompost maken

    Van oud stro kan een uitstekende en luchtige compost worden gemaakt om de drainering van de bodem, haar algemene vruchtbaarheid en haar vermogen om het vocht vast te houden te verbeteren. Uitgespreid op de grond vormt het een tapijt dat de vochtigheid vasthoudt en het onkruid verwijdert. Aardwormen, bacteriën en andere levende organismen zorgen ervoor dat het stro op natuurlijke wijze met de grond wordt vermengd.

    Strooi +/- 30 cm los stro uit. Doordrenk het met water.

    Verstuif op het vochtige stro een dunne laag stikstofmeststoffen om de ontbinding te versnellen.

    Voeg een tweede laag toe, besproei nogmaals. Strooi een dikkere laag meststoffen uit.

    Als die ontbindt, is het stro bedekt met een witte schimmel.

    Mestgier maken

    Mestgier is een meststof met een "zweepslageffect”. Ze wordt aangebracht tijdens de bloei of de vruchtvorming.

    U hebt mest nodig van dierlijke oorsprong.

    Voeg er een beetje roet (voor de stikstof) en houtas (voor de kalium) aan toe.

    Doe alles in een geweven plastic zak en sluit hem hermetisch. Laat de zak gedurende enkele weken in regenwater drijven.

    Decanteer de oplossing zodra ze klaar is. Verdun het product tot het de kleur heeft van lichte thee en verspreid het.

    Onkruidbestrijders

    Inleiding

    Een onkruidbestrijder is een werkzame stof of een bereiding die de planten kan doden. Men spreekt ook van onkruidverdelgers. Onkruidbestrijders worden gebruikt om bijplanten (ongewenste planten) of onkruid te bestrijden.

    Indeling volgens het nagestreefde doel

    Volgens de selectie

    Totale onkruidbestrijders: zij vernietigen alle aanwezige soorten, zowel de bijplanten als de gewassen. De effecten van het product kunnen na het gebruik nog korte tot lange tijd aanhouden. De werkzame stof is glyfosaat.

    Selectieve onkruidbestrijders: zij vernietigen alle geselecteerde bijplanten zonder de gewassen of de weide te beschadigen. Als de gebruiksvoorwaarden niet worden gerespecteerd kunnen ze niet-selectief worden.

    Onkruidbestrijders voor bijzonder gebruik: vernietiging van aardappelloof, van stammen, kiemen die bijvoorbeeld de groei van voor de voeding bestemde uien of aardappelen in de weg staan…

    Volgens de indringing van de onkruidbestrijder

    Bladonkruidbestrijders: onkruidbestrijder die wordt aangebracht op de te behandelen bladeren, na het uitlopen. Beschadigt de weefsels enkel rond de impact- en indringingspunten.

    Wortelonkruidbestrijder: onkruidbestrijder die wordt aangebracht op de bodem en wordt geabsorbeerd door de wortels, vóór het uitlopen van de bijplant.

    Volgens het moment van aanbrengen

    Preventieve behandelingen: onkruidbestrijders die men aanbrengt voor het zaaien of planten om het veld te ontwortelen wanneer er geen gewassen groeien of om de bodem te reinigen wanneer die overwoekerd wordt door bijplanten. Ze werken langdurig in om te voorkomen dat de bijplanten gaan kiemen.

    Curatieve behandelingen: ze hebben vaak de vorm van bladonkruidbestrijders die worden aangebracht wanneer de plant na het kiemen al is gegroeid. Ze moeten dus zeer selectief zijn.

    Voorwaarden voor de efficiëntie van een onkruidbestrijder

    De klimaatfactoren: wind, regen, temperatuur, luchtvochtigheid.

    De keuzefactoren: soort, groeistadium van de plant, weerstand van de plant ...

    De verstuivingeigenschappen: de grootte van de druppels, de vorderingssnelheid, het uitgespreide volume per hectare …

    Tip

    Breng een onkruidbestrijder nooit aan bij hoge temperaturen of in de zon. Draag handschoenen en vermijd het contact met de ogen. Adem het product niet in. Bewaar alle producten buiten het bereik van kinderen en dieren, op een droge plaats.
    Bel bij absorptie van een product het antigifcentrum: 070/245 245.