Hoogte van de trap: afstand tussen
2 niveaus, van vloer tot vloer, met inbegrip van de dikte van de vloerbe-kleding boven. |
Afstand trede-plafond:
mag nooit minder dan 2 m zijn, anders dreigt u zich het hoofd te stoten. |
Breedte van de trap: tussen 60 en
120 cm; hoe breder de trap, hoe mak-kelijker twee personen elkaar kunnen kruisen. |
Terugloop: de afstand waarover de
trap zich in zijn geheel uitstrekt; hoe kleiner de terugloop, hoe steiler de trap. |
Trede: het horizontale gedeelte van de
trap: de diepte ervan heet de aantrede-diepte (afstand tussen de neus van de ene trede en de neus van de volgende trede). Die bedraagt doorgaans tussen 25 en 35 cm. |
Steekbalk: de opening in het plafond. |
|
Stootbord of tegentrede: het staan-de
deel tussen twee traptreden (ont-breekt bij sommige trappen); de verti-cale afstand tussen twee traptreden is de optrede: hoe hoger de treden, hoe steiler de trap. |
Trapneus: naar voren uitstekend deel van de trede. |
Trapbomen: de twee brede planken
waartussen de traptreden komen |
Overloop: het is aangeraden na 15 tot 18 opeenvolgende treden een overloop te voorzien. |
|
|