Vooraleer je naar de winkel gaat, moet je even stilstaan bij het onderscheid dat gemaakt wordt tussen een oplegslot en een insteekslot. Het eerste wordt op de deur bevestigd terwijl het tweede ' waarover we het hier hebben ' in de deur wordt geplaatst. Wanneer de deur niet voldoende dik is ' minder dan 4 à 4,5 cm voor een gewone houten deur ' dan is het beter een oplegslot te plaatsen: door de noodzakelijke uithalingen voor het insteekslot ga je immers de deur verzwakken.
Binnendeuren worden voorzien van sloten met op zijn minst een dagschoot, maar vaak ook met een nachtschoot (zie schets 1). De dagschoot wordt bediend met de deurkruk, terwijl de nachtschoot wordt bediend met een sleutel.
Bij binnendeuren heb je doorgaans ook voldoende aan een bontebaard- of een klavierslot.
Voor buitendeuren gebruik je best een cilinder- of veiligheidsslot (zie kader). Dat biedt trouwens ook het voordeel dat het in een slotkast wordt geplaatst, en indien nodig heel makkelijk kan vervangen worden, zonder dat de hele slotkast moet verwisseld worden.
Bij de keuze van het slot moeten ook aan de nachtschoot enige eisen gesteld worden: massief of gelamineerd, beveiligd tegen het doorzagen en voldoende lang (de schoot moet minstens 2 cm naar buiten komen en ook aan de binnenzijde verlengd zijn).
Het klassieke sluitplaatje moet vervangen worden door een sluitplaat met schootkasten waarin zowel de dag- als de nachtschoot omsloten worden.
Aan de slag
Als je een nieuw slot wil plaatsen, bepaal je eerst de juiste hoogte. Meestal komen de deurgreep of -knop op ongeveer 105 cm boven de vloer.
Hou het slot tegen een zijde van de deur, en markeer de onder- en bovenkant van de slotkast met potloodstreepjes. Neem deze maten met behulp van een winkelhaak over op de smalle kant van de deur.
Boren
- Trek met een potlood een lijn over precies het midden van de smalle zijde van de deur en plaats hierop de slotkast, zodat je ook de breedte van de slotkast kan aftekenen. Verbind de twee horizontale streepjes met twee parallelle verticale lijnen.
 - Vervolgens meet je de diepte van de slotkast, inclusief de slotplaat. Tel hierbij 3 mm extra speling. Dat is de diepte waarover je het gat moet maken. Stel de diepteaanslag van je boormachine hierop in en boor het gat voor het slot uit.
Afsteken
- Het afvalhout steek je weg met een hout- of steekbeitel. Controleer daarbij regelmatig of het slot goed in de gleuf past en werk die desnoods een beetje bij. Het slot mag zeker niet knellen. Bij vochtig weer gaat hout uitzetten, en daarom moet je een kleine speling voorzien (maximaal 1 mm ). Als de gleuf te krap is, gaat het slot slecht functioneren en kan het hout van de deur beginnen splijten.
- Daarna zet je de slotkast in de gleuf en teken je de slotplaat af. Steek met de houtbeitel de afgetekende oppervlakte voorzichtig in het hout uit (niet te diep!).
Vastschroeven
- Nu kan je de gaten voor de sleutel of de cilinder voor de deurkruk markeren. Daarvoor plaats je het slot weer op de zijkant van de deur, met de slotplaat gelijk aan het oppervlak. Teken de cilinderomtrek rechtstreeks op de deur af en priem eventueel de boorpunten voor.
- Boor met een voldoende dikke houtboor door de deur tot de punt er aan de andere kant uitkomt.
- Het sleutel- of cilindergat boor je op precies dezelfde manier. Eventuele oneffenheden van de boorgaten werk je bij met een vijl.
- Zet het slot vast met de bijgeleverde houtschroeven, breng het beslag aan en plaats de deurkruk stevig vast.
Sluitplaat
 - Voorzie de dag- en nachtschoot van een dikke laag krijt. Draai dan zowel de dag- als de nachtschoot naar binnen, en sluit de deur goed tegen het kozijn aan. Als je de deurkruk loslaat, zie je op het deurkozijn afdrukken. Dat zijn de plaatsen waar je moet boren.
- Leg de sluitplaat over de afdrukken en teken de omtrekken op het deurkozijn af. Markeer ook de buitenmaten van de sluitplaat. Boor de gaten een beetje voor, en steek ze vervolgens uit met de beitel.
- Daarna steek je voorzichtig ook de buitenomtrek van de sluitplaat in het deurkozijn weg (weer niet te diep!). De zichtzijde van de sluitplaat moet precies gelijk komen met het kozijnhout.
Vastzetten
- Zet de sluitplaat vast met lange schroeven en vijl ze eventueel wat bij. Doe dat heel voorzichtig. Als de gaten in de sluitplaat te groot zijn, kan de deur bij tocht beginnen klapperen.
 - Eventueel zal je ook de lip van de sluitplaat moeten bijregelen, zodat hij tegen het kozijnhout komt te liggen. Daarvoor tik je de lip met een kleine hamer voorzichtig aan.
Goed om weten
Meerpuntsluiting
Eén sluitpunt is onvoldoende om een deur te beveiligen. Twee, drie tot zelfs vijf sluitingspunten zijn beter. Deze bijkomende sloten kunnen van het insteek- of oplegtype zijn en in beide gevallen kunnen ze afzonderlijk te bedienen zijn ofwel een meerpuntsluiting uitmaken. Let op, sommige types meerpuntsluitingen hebben niet veel te betekenen. De verschillende sluitingspunten worden door één cilinderslot bediend. Wanneer dat slot makkelijk geforceerd kan worden, heeft ook de meerpuntsluiting geen zin. Uiteraard bestaan er hier ook weer betere systemen die steviger uitgevoerd zijn en die wel meer veiligheid bieden.
 Onderdelen
1.1 dagschoot
1.2 nachtschoot
1.3 sluitkom
1.4 slotkast
1.5 sleutelgat
Soorten
2. Bontebaardslot. Dit is het oudste type van slot en zeker het minst veilige.
3. Een klavierslot kan je herkennen aan de baard van de sleutel die inkepingen vertoont. Dit soort slot is veilig wanneer de sleutel minstens 6 inkepingen heeft.
 4, 7, 8. Tegenwoordig worden buitendeuren voornamelijk voorzien van cilindersloten. Opgelet: gewone cilindersloten zijn niet echt veilig wanneer ze meer dan 2 mm uitsteken,dit kan opgelost worden door er een veiligheidsrozet of veiligheidsbeslag op te zetten.
5. De sluitkom moet stevig verankerd zijn in de deurstijl.
6. Bij een insteekslot zit het slot binnenin de deur.
Wat heb je nodig ?
- potlood
- meter
- winkelhaak
- boormachine met houtboren en gatenzaag
- houtbeitel of steekbeitel
- houtvijl
- schroevendraaier
- krijt
- kleine hamer |